Sint-Maarten: van Pannonia, Hongarije naar Tours in Gallië, Frankrijk en verder…

zaterdag 12 november 2022

Martinus was een voornaam, die verwees naar de Romeinse oorlogsgod Mars. De vader van Martinus had deze naam gekozen, want hij was tribuun geweest in het Romeinse leger en had als oudgediende een pensioen gekregen in een grensstreek van het Romeinse Rijk.

 

 

Bij de geboorte van Martinus in 316 in Savaria in West-Hongarije, werd een christen niet meer vervolgd, maar zijn vader verwachtte wel dat zijn zoon, als soldaat in het Romeinse leger, de traditionele goden zou vereren. Sinds keizer Constantijn was het christendom bij het Edict van Milaan in 313 een erkende godsdienst, maar Romeinse soldaten erkenden slechts de goddelijkheid van hun keizer en waren dus geen christen.

 

Toen Martinus 15 jaar was kreeg hij zijn eerste opleiding in Pavia in Noord-Italië, een paar jaar later werd hij gedoopt, toen hij nog in dienst was. Problemen aan de grens met de Germanen brachten Martinus naar Worms, waar hij onder keizer Julianus niet bereid was om oorlog te voeren en hij het geluk had dat de Germanen zich terugtrokken. Bij het einde van zijn legerdienst werd hij onder leiding van Hilarius, de bisschop van Poitiers, niet de beoogde diaken, want uit nederigheid wilde hij alleen maar duiveluitdrijver worden: een wijding van bescheidener omvang.

 

Toen Hilarius langere tijd afwezig was, keerde Maarten terug naar de Romeinse provincie Pannonia (nu het gebied op de grens van Oostenrijk en Hongarije) met de bedoeling om in zijn heidense geboortestreek zijn christelijke proeftijd in missie om te zetten. Zijn ouders waren nog heidenen, maar hij bekeerde zijn moeder. Zijn vader echter had het er moeilijk mee gehad dat zijn zoon om zijn christelijk geloof uit het Romeinse leger was vertrokken en volhardde in zijn Romeinse goden.

 

Afkomstig uit Oost-Europa, was Martinus één der eersten om het leven van een monnik in te voeren in het Westen. In Ligugé, in het bisdom Poitiers, had de ex-soldaat als gedoopte eerst een leven buiten de wereld geleid, later in een gemeenschap van monniken geleefd en er weer later zelf één gevormd (Marmoutier, met 80 monniken). In 371 werd hij de tweede bisschop van Tours, toen Valentinianus I keizer was van het West-Romeinse Rijk (364-375). In tegenstelling tot zijn voorgangers, die uit de gallo-romeinse edelen werden gerecruteerd, was hij iemand die het verdiende omwille van zijn navolging van Christus. Het voorbeeld om eerst monnik te worden en daarna een goede bisschop te zijn hield stand, want in deze gemeenschappen werd de leer van Christus het best bewaard, doorgegeven en in praktijk gebracht.

 

Zijn levensweg maakte geschiedenis: niet veel later werd een monnik de eerste paus Gregorius I (590-604). Na hem zou tussen 649 en 653 de eerste paus zijn naam ontlenen aan Sint-Maarten en zelf ook heilig verklaard worden. Vijf pausen kozen Martinus als voornaam.

 

Op de voorgevel van de Sint-Martinuskerk van Cuijk, maar elders ook op schilderijen en in musea is de afbeelding te zien van de soldaat, die zijn kleine mantel (capa) voor een arme in twee stukken sneed. Martinus was toen soldaat in Amiens. Als circitor moest hij een rondgang maken om het verblijf van de soldaten te beschermen, toen hij een arme zag bij de stadspoort.

Zijn biograaf Sulpicius Severus voegde eraan toe dat de arme man vervolgens in een droom Christus zelf bleek te zijn: "Maarten, de geloofsleerling, heeft Mij deze mantel gegeven” of "Wat je aan de minsten hebt gedaan, heb je aan Mijzelf gedaan! (Mt. 25:40)”. Later vereerden de Franken deze relikwie als een koninklijke schat (capella) en nu blijven wij kleine spirituele plaatsen zonder aanstelling van een pastor kapellen noemen. De stad Utrecht deelt nog steeds haar stadsvlag in twee: één zijde rood voor de mantel, de andere wit voor het onderkleed.

 

Biograaf Sulpicius Severus, die de heilige nog had gekend en zijn levenseinde meemaakte, gaf ook het voorbeeld van de genezing van een leerling en zelfs van de opwekking van een jonge slaaf. Op deze wijze verbond hij het leven van Sint-Maarten met Elizeus uit het Oude Testament (4 Reg 4:32) en verwees hij naar de opwekking van de dochter van Jaïrus (Marc. 5:41). Deze mirakels deden zich voor tijdens zijn proeftijd als nieuwe christen.

 

De strijd tegen de satan en het heidendom en de zorg voor de juiste interpretatie van de leer van Christus brachten Sint-Maarten in moeilijke discussies met de staat en in aanvaringen met aanhangers van afgoden of van het arianisme.

 

De historicus Ammianus Marcellinus, die de gebeurtenissen van zijn tijd weergaf, verhaalt ons over keizer Flavius Valentinianus I, afkomstig uit Pannonia, zoals Martinus. Net zoals het Martinuspad in Nederland is nu in het Land van Cuijk het Valentinianuspad een vaste waarde geworden. Na keizer Julianus de Afvallige, die het heidendom meer kansen gaf, heeft Valentinianus de katholieke godsdienst met respect en verdraagzaamheid behandeld. Verder spande hij zich zeer in om de grens met de Germanen op orde te houden en werd in de winter van 368 op 369 het hout gekapt voor de Romeinse brug over de Maas te Cuijk. Tussen de vele keizers, die toen als kind al keizer werden, was Valentinianus de laatste grote West-Romeinse keizer.

 

Septimius Severus bewaarde voor ons nog een laatste bericht over Martinus’ afscheid van dit leven. Martinus voelde dat hij zou sterven en week niet af van zijn sobere en strenge levenswijze. De ogen op de hemel gericht, voelde hij de nabijheid van de duivel en zei: ”Wel, waarom ben jij hier? Je zal niets vinden in mij, dat jou toebehoort, vervloekte! In de schoot van Abraham zal ik rusten”. Martinus overleed op 8 november 397 in de plaats, waar de Vienne in de Loire uitmondt, naar hem Candes Saint-Martin genoemd, maar hij werd langs de Loire naar Tours gevoerd en er op 11 november begraven. Zijn begraafplaats werd snel een plaats van verering en eindpunt van bedevaarten. Een late bekroning voor zijn inzet tegen het arianisme werd Sint-Maarten bezorgd, toen het gebied van de Ostrogoten in Ravenna werd ontmanteld en de katholieke kerk er terugkeerde. Op de mooie mozaïeken in deze kerk werd Sint-Maarten als eerste van alle heiligen het dichtst bij de figuur van Christus geplaatst, maar de kerk zelf was aan de heilige Apollinaris (de eerste bisschop van Ravenna, feest op 23 juli) gewijd.

 

De Franken, met koning Clovis aan het hoofd, die geloof hechtte aan de godsdienst van zijn katholieke vrouw, omarmden de leer van Sint-Maarten. Zowel de Merovingers als de Karolingen gingen daarin verder en zorgden voor de eerste kennismaking in Nederland met Sint-Maarten. Zo werd de nauwe relatie tussen kerk en staat in het maatschappelijk leven ingebed. De kerkelijke indeling in bisdommen volgde en de Maas en de overige rivieren werden de snelwegen, waarlangs de verspreiding van het christendom vlot verliep.

 

Sint-Maarten wordt in de katholieke kerk vereerd als een bisschop en eerste belijder-niet-martelaar, de apostel van de  Galliërs, al zeer vroeg de meest populaire heilige in Frankrijk, voortrekker van de evangelische waarden, kampioen in het delen, model van naastenliefde, strijder voor mensenrechten en vrede, patroonheilige van ontelbare kerken in de wereld. In tegenstelling tot zijn voorgangers, die vooral aan steden dachten, zette hij in op de evangelisatie van het platteland. Hij was een soldaat van Christus, een man van God met een missie.

 

Tours, met het graf van Sint-Maarten, werd een bedevaartplaats, zoals Compostella met het graf van Sint-Jakob of Rome met het graf van Sint-Pieter en Sint-Paulus. Vanuit Tours vertrokken vier wegen naar Compostella: de Via Turonensis. Ondertussen spraken we al over het Martinuspad, dat ook in Tours uitmondt: de Via Trajectensis. Toen ook Europese culturele routes werden gestart, kreeg de weg van Sint-Martinus vanuit Hongarije (Sabaria, Pannonia of Szombathkely) naar Tours snel meerdere gedigitaliseerde versies, waarvan www.viasanctimartini.eu er één is. Zowel zijn eigen levenspad als dat van de aan hem gewijde gebouwen kan men erop volgen.

 

Paul van Peteghem

 

Reserveer uw plaats


Handige links

livestream